Boeien

J. Triest 1815

Deze boeien tonen de slechte kwaliteit van de gebruikte middelen om geesteszieken te bedwingen. Zij werden aangeschaft door de weesenmeester, de toezichthouder in opvangplaatsen voor geesteszieken. Hij kreeg een geldsom voor de opvang van de patiënten en na alle uitgaven mocht hij de rest houden als winst.

Gent was in de 18de eeuw goed voorzien van opvangplaatsen voor geesteszieken: het Gerard de Duivelsteen, de Zottepoort in de Korte Violettelei, bij de Alexianen in het voormalige Sint-Amandusinstituut of bij de begijntjes van het Kleine en Grote Begijnhof. En in de gevangenis was er voor hen ook altijd plaats.

De kwantiteit was er dus wel, maar met de kwaliteit was het, net zoals overal in Europa, minder goed gesteld. De boeien die aan deze houten plaat vastgemaakt zijn, zijn daar de getuige van. Petrus Jozef Triest en zijn Broeders van Liefde hebben de geesteszieke mannen van het Gerard Duivelsteen letterlijk uit de boeien bevrijd in 1815. Een weezenmeester – een erfelijke functie – hield daar toen toezicht op de psychisch zieken. Hij kreeg van het stadsbestuur een bedrag waarvoor hij de krankzinnigen moest onderhouden. Wat hij na uitgaven voor voeding, personeel en huisvesting overhield, was winst. Weinig verwonderlijk dus dat de kwaliteit van de opvang ondermaats was en ijzeren boeien een prominente rol speelden.