Frenologie

F.J. Gall 1820

Franz Joseph Gall meende dat het innerlijk van een persoon  achterhaald kon worden door de vorm van zijn schedel te onderzoeken. Op basis van de bobbels en heuvels op de schedel maakte Gall een soort locatiekaart waarmee men iemands karaktereigenschappen kon bepalen.

Toen men uitgekeken was op de  studie van het gelaat, richtten onderzoekers zich in de eerste helft van de negentiende eeuw op de schedel om het karakter van een persoon te leren kennen. Baanbrekend was de theorie van de Weense arts Frans Joseph Gall (1757-1828). Hij was ervan overtuigd dat het karakter kon bepaald worden door de vorm van zijn schedel te onderzoeken. Gall ging er van uit dat karaktereigenschappen op vaste locaties in de hersenen zaten. De graad van ontwikkeling van deze karaktertrekken stond volgens hem in verhouding tot de fysieke omvang van het deel van de hersenen waarmee ze overeenstemden. Een karaktertrek die sterk ontwikkeld was, vertoonde op die plaats op de schedel een uitstulping. Schedels van genieën, criminelen en geesteszieken vond hij het interessantste studiemateriaal omdat ze de sterkst uitgesproken karakteristieken hadden. Gall ontwierp een soort locatiekaart van de bobbels en heuvels op de schedel waarmee men de corresponderende eigenschappen kon bepalen.  

Net als de fysionomie groeide de schedelleer uit tot een uitzinnige Europese mode. Vooral na 1820 werden de frenologische verenigingen druk bezocht. Men bevoelde er met veel aandacht schedels of raadpleegde een kenner om inzicht te krijgen in de eigen karaktereigenschappen. Frenologie kon vele doelen dienen. Het was een populair tijdverdrijf voor de hogere klassen en sommige werkgevers huurden zelfs frenologen in om sollicitanten te testen. Utopisten gebruikten ze om iemands ideale positie in de maatschappij te bepalen, revolutionairen om het maatschappelijk bestel overhoop te halen en pedagogen om de toekomst van kinderen uit te stippelen.