Hippocrates & Galenus

De humoren 2e eeuw

Hippocrates, 'de vader van de geneeskunde', was de eerste die de verklaring voor geestesziekten niet in boze, bovennatuurlijke krachten zocht, maar in het onevenwicht tussen de vier lichaamssappen. Deze opvattingen nam Galenus in de 2de eeuw over.

Voor Hippocrates (ca. 460-370 v. Chr.), de ‘vader van de geneeskunde’, was geestesziekte, net zoals andere ziektes, het resultaat van de vier lichaamssappen die uit evenwicht waren. Mentale ziekten waren voor hem louter het gevolg van puur lichamelijke processen. Over epilepsie, toen bekend als ‘de heilige ziekte’, schreef hij: “Ze lijkt me geenszins heiliger te zijn dan andere ziektes, maar ze heeft een natuurlijke oorzaak, dezelfde van andere aandoeningen.” Met deze biologische opvattingen over het karakter van geestesziekte is hij de eerste die breekt met de verklaringen uit de sfeer van de boze hogere machten. Galenus (131-211) nam de meeste opvattingen van Hippocrates in verband met geestesziekte over. Hij was de lijfarts van de Romeinse keizer en zou in het Westen tot diep in de middeleeuwen dé medische autoriteit blijven.

Hippocrates’ opvattingen waren echter geen gemeengoed in de Griekse maatschappij. Dat Sophocles’ Ajax door de godin Athena als straf krankzinnig werd gemaakt, en bijgevolg schapen afslachtte in de waan dat het zijn tegenstanders waren, vonden weinig Grieken ongeloofwaardig. De meeste Grieken en Romeinen zochten heil bij Asclepius, terwijl ze de koude en warme baden, aderlatingen, purgantia en andere somatische geneesmiddelen van Hippocrates of Galenus liever lieten voor wat ze waren.