Petrus Jozef Triest

 

Priester Triest stichtte in 1803 en 1807 de congregaties Zusters van Liefde en Broeders van Liefde, die zich beiden richtten op de zieken- en armenzorg. Ze zorgden voor de geesteszieken in het vrouwenweeshuys en het Gerard de Duivelsteen waar ze hen een menswaardige omgeving gaven.

Petrus Jozef Triest, die in 1760 te Brussel geboren werd en in 1786 tot priester werd gewijd, stichtte in 1803 de Zusters van Liefde en in 1807 de Broeders van Liefde. Beide congregaties richtten zich op de zieken- en armenzorg.

Vanuit zijn activiteiten in andere domeinen van de Gentse welzijnssector, werd Triest ook geconfronteerd met de mensonterende situaties in de Gentse dolhuizen. Om aan de mistoestanden een einde te maken, nam hij in 1808 met zijn Zusters van Liefde het beheer van het Vrouwenweeshuys over. De confrontatie met deze geesteszieken was zeer hard. Een van de zusters hield er een dagboek over bij. “Wij deden onze grauwe lijnwaden rokken aan, en deden al de kamers en koten open; het waren als jonge peerden die uyt hunnen stallen liepen, er waren er die sprongen op handen en voeten, daar zij zo stijf waren in hun leden. Hunnen beddens, in de kamers waren met kaf gevuld en zoo verstickt dat wij van tijd tot tijd ons verbergden om te weenen.” De zusters probeerden de zieken er in de eerste plaats een menswaardig onderkomen te bieden, maar wat minstens even belangrijk is, is de reïntegratie van hun zieken in de maatschappij. De religieuzen probeerden de waanzin bij de patiënten te milderen door ze structuur, een dagtaak, degelijke voeding en af en toe een zelfbedachte schriktherapie aan te bieden,. Vermits Triest ook op de hoogte was van enkele recepturen van preparaten tegen geestesaandoeningen, is het waarschijnlijk dat deze ook deel uitmaakten van de behandeling.

In 1815 stuurde Triest eveneens vier Broeders van Liefde naar de kelders van het Gerard de Duivelsteen om er voor de mannelijke geesteszieken te zorgen. In 1828 zorgde hij ervoor dat de jonge arts Joseph Guislain benoemd werd tot hoofdgeneesheer van de beide Gentse krankzinnigengestichten. Zo kon de zorg die de religieuzen aanboden, die tot dan toe in de eerste plaats op naastenliefde steunde, wetenschappelijk onderbouwd worden.