Medicatie

 

Het onderzoek naar de werking van de hersenen zal uiteindelijk uitmonden in de medicamenteuze therapie. In 1920 slaagt de Oostenrijker Loewi er voor het eerst in een stof in het menselijk lichaam te isoleren die verantwoordelijk is voor de overdracht van de prikkels tussen de zenuwuiteinden. De ontdekking van een dergelijke stof is bijzonder inspirerend voor de psychiatrie. Men gaat experimenteren met het toedienen van (genees)middelen aan psychiatrische patiënten, vaak zonder goed te weten hoe het nu allemaal precies werkt.

In 1949 ontdekt de Australische psychiater Cade dat lithium een werkzaam middel is bij de behandeling van het manisch syndroom. In 1952 ziet de Franse chirurg Laborit dat wanneer hij tijdens een operatie chloorpromazine toedient, de patiënt ook daarna bijzonder rustig blijft. Experimenten in de psychiatrie met dit middel wijzen uit dat het ook effect sorteert bij psychotische patiënten. Het middel wordt op de markt gebracht onder de naam Largactil.

In 1957 komt een nieuw middel tegen depressie in omloop, Imipramine, dat door Geigy wordt geproduceerd onder de naam Tofranil. In 1958 brengt Janssen een belangrijk psychiatrisch medicijn op de markt, het Buterophenone. Rond 1960 verschijnt dit antipsychotisch middel in de ziekenhuizen onder de naam Halopéridol en het behoudt er tot vandaag (als Haldol) een grote waarde.

De moderne psychofarmaca scheppen de mogelijkheid de therapie meer menselijk te maken. Er zijn echter ook nadelen aan verbonden. Psychofarmaca kunnen enkel de druk van de symptomen verlichten en hebben soms nadelige bijwerkingen. Daarnaast is het toedienen van medicatie vrij simpel zodat het gevaar bestaat dat men te vlug naar dit middel grijpt.