Dodoens Kruiden tegen de waanzin

Cruydenboeck 1554

Tijdens de renaissance introduceerde de Vlaamse arts en plantkundige Rembert Dodoens de kruidengeneeskunde in onze gewesten. Hij beschreef welke functies de verschillende kruiden hadden en hoe die konden helpen tegen allerlei ziekten, waaronder ook waanzin.

De middeleeuwse volksgeneeskunde was gebaseerd op magische elementen. Naast de praktijken rechtstreeks gelinkt aan het bovennatuurlijke, werden in de volksgeneeskunde ook technieken gebruikt die het therapeutische proces symboliseerden. Men doorbrak de band tussen zieke en ziekte door praktijken uit te voeren zoals afbinden, afstrijken, uitsnijden enz.. Ook het gebruik van kruiden was ingebed in dezelfde magische wereld waarbij de associaties, de tradities en de symboliek meestal belangrijker waren dan de effectieve werking van de plant. De kennis over deze kruiden was wijdverspreid. Kruidenvrouwtjes, medicijnmannen en -vrouwen, rondtrekkende genezers en andere halve sjamanen waren er meestal goed van op de hoogte.

Het Cruydeboeck bleef voor lange tijd een standaardwerk binnen de farmacie.

Met Rembert Dodoens (1517 of 1518-1585), een Brabants plantkundige en arts, trad de kruidengeneeskunde in onze gewesten de renaissance binnen. Hij bouwde zijn kennis op door zelf de natuur in te trekken, met de ambitie de flora in haar totaliteit te beschrijven. In 1554 verscheen in het Nederlands zijn Cruydeboeck, het eerste in zijn soort. Het boek werd volgens de auteur in de volkstaal uitgegeven om het toegankelijker te maken voor de mogelijke lezers. Een andere reden was dat de toenmalige medici zich sowieso niet echt inlieten met theorieën rond de geneeskundige krachten van kruiden. De geneeskruiden werden in zijn Cruydeboeck uitvoerig beschreven, waardoor het lange tijd een standaardwerk bleef binnen de farmacie. Van de magische en bovennatuurlijke werking van kruiden was Dodoens niet onder de indruk. Ook de naam en de uiterlijke verschijningsvorm van de plant waren voor hem niet van belang.

Net als het merendeel van wie toen met de medische werking van kruiden bezig was, had Dodoens in zijn beschrijving van de werkzame bestanddelen van planten aandacht voor waanzin. In zijn Cruydeboeck heeft hij bij een 150-tal planten verwijzingen opgenomen naar geestesziekte, de ene al wat begrijpelijker dan de andere voor de hedendaagse lezer. “Het matelijck ghebruyck van den Saffraen is de herssenen seer nut ende bequaem; maeckt de gheesten wackerer; verquickt de sinnen; ende neemt de slaeperigheydt ende loomigheydt oft swaerigheydt des hoofts wegh; ende verheught de mensche; ende doet hem alle droefheydt aen een sijde laeten.”