Reinier van Arkel

Zinnelooshuis 1442

Vroeger werden krankzinnigen door familie opgevangen of ergens ondergebracht. Pas vanaf de vijftiende eeuw bouwde men opvanghuizen speciaal voor geesteszieken, ‘dolhuizen’ genaamd, zoals Reinier van Arkels Zinnelooshuis. Deze opvangcentra waren nog niet gericht op therapie of genezing.

Voor “Ses sinnelosen” die men “van noetewegen spannen, bynden ende sluyten moet,” liet Reinier van Arkel in 1442 bij testament het eerste Zinnelooshuis van Nederland openen. De term ‘huis’ was waarschijnlijk behoorlijk eufemistisch. Zoals onder meer uit de gevelsteen blijkt, was het eerder een gevangenis. Drie van de zes krankzinnigen die op de gevelsteen staan, steken hun hoofd uit een dolcel en de andere drie zitten voor hun cel. Ze zouden woestheid, apathie en vertwijfeling verbeelden. Huis of gevangenis, in ieder geval was er geen sprake van behandeling.

Dergelijke opvangplaatsen werden in de vijftiende eeuw her en der in Europa gevestigd. Toch waren er toen ook al kloosters waar de zieken van geest opgevangen werden. Voordien werden krankzinnigen haast uitsluitend ten goede of ten kwade door de familie opgevangen en verzorgd. Na de middeleeuwen werden echter geesteszieken zowat overal ondergebracht. Inrichtingen die enkel en alleen geesteszieken huisvestten, waren zeldzaam. Oude poortgebouwen, kerkers of leegstaande leprozenhuizen werden allemaal gebruikt om geesteszieken en andere behoeftigen in onder te brengen.

Volgens sommige historici werden ‘dolhuizen’ als dit van Reinier van Arkel in de daaropvolgende eeuwen zo talrijk en algemeen verspreid dat er van een massale opsluiting van krankzinnigen kan gesproken worden. De burgerij, die het steeds minder op rust- en ordeverstoorders begrepen had, zou zo geesteszieken uit het straatbeeld geweerd hebben. Niet iedereen deelt deze opvatting. Velen gaan ervan uit dat het met een algemene opsluiting wel meeviel, behalve in Frankrijk. Wat er ook van zij, de toenmalige opvanghuizen, die meestal privé-initiatieven waren, waren enkel op bewaring en nooit op therapie of genezing gericht.

Volgens sommige historici werden dolhuizen als dit van Reinier van Arkel in de daaropvolgende eeuwen zo talrijk en algemeen verspreid dat er van een massale opsluiting van krankzinnigen kan gesproken worden.